Koud en nat voorjaar
Het voorjaar 2021 was zeer koud en nat. De koudste april maand sinds 1986 werd gevolgd door een kletsnatte meimaand die uitkwam in de top-10 van natste meimaanden ooit. De maand juni kende twee gezichten. De eerste helft was warm, zonnig en droog met plaatselijk zware onweersbuien. Daarna volgde een koelere periode met regionaal zware plensbuien. De maand telde verdeeld over het land maar liefst 8 dagen met zware neerslag.
De snijmais werd op veel plaatsen dan ook later gezaaid dan andere jaren. In het noorden van het land moest eind mei nog zo’n 15% van de areaal gezaaid worden. Pas in de tweede helft van juni was overal de snijmais gezaaid.
Zware schade in Zuid-Limburg
Half juli was het opnieuw raak met plaatselijk extreme weersomstandigheden. Zo viel er in de kop van Noord-Holland en Zuid-Limburg een record hoeveelheid neerslag wat grote waterlast tot gevolg had. In Zuid-Limburg kwam een groot aantal maispercelen in de uiterwaarden onder water te staan. Op veel van die percelen ging de plant rotten en was er geen oogst mogelijk.
Minimaal twee weken achterstand
Door de koude en natte omstandigheden liep de ontwikkeling van de snijmais plant het hele jaar door ca. twee weken achter op andere jaren. Pas eind juli was de achterstand in lengtegroei ingehaald. De bloei van de plant was dit jaar ook later dan andere jaren. Dit had ook gevolgen voor de afrijping. Vooral de latere rassen waren eind september nog niet oogstrijp waardoor op de zandgrond de percelen, waar nog geen vanggewas gezaaid was vóór 1 oktober, onvoldoende afgerijpt mais gehakseld en ingekuild werden.
Vanuit het ministerie kwam pas op de laatste dag van september bericht dat de uiterlijke zaaidatum voor het vanggewas van 1 oktober verschoven werd naar 31 oktober. Voor verschillende veehouders kwam deze uitslag als mosterd na de maaltijd.
Vroege rassen en/of onderzaai vanggewas geven meer oogstzekerheid
Gezien de ervaringen van dit jaar blijkt maar weer dat de oogstzekerheid, om vóór 1 oktober een voldoende afgerijpt maisgewas te kunnen oogsten, alleen mogelijk is wanneer er voor vroege rassen wordt gekozen. Ook met het toepassen van gelijkzaai of onderzaai van een vanggewas kan voldaan worden aan de wetgeving. Voor seizoen 2022 dus zeker het overwegen waard.
Voederwaarde goed
Gezien het wisselvalige seizoen en de late afrijping lijkt de voederwaarde goed. Uit de eerste uitslagen blijkt dat, ondanks dat er ook een aantal analyses van te vroeg geoogste snijmais bijzitten, de voederwaarde uitkomt op 995 VEM en 363 g zetmeel. In vergelijking met vorig jaar is dit een prima gemiddelde, zeker wanneer men bedenkt dat de later geoogste snijmais over het algemeen meer zetmeel bevat. Kortom de verwachting is dat het zetmeelgehalte nog gaat stijgen. Hert ruw eiwit is in verhouding met vorig jaar lager. Dat betekent dat in snijmaisrijke rantsoenen er naast de eiwitarme kuil extra eiwit gevoerd moet worden om het rantsoen in balans te brengen.