Wat verstaan we onder een optimaal stalklimaat?
Bij een optimaal stalklimaat zijn het gedrag van de dieren en de omgeving met elkaar in evenwicht. Niet één enkele factor is hierin belangrijk, maar het gaat om de combinatie van temperatuur, luchtcirculatie en –snelheid, vochtigheid, stofgehalte en concentraties van CO₂ en ammoniak die bepaalt of de dieren zich comfortabel voelen in de stal. Het is belangrijk om de technische metingen altijd te combineren met het gedrag van de dieren zelf.
Het belang van ventilatie
Ventilatie vervult meerdere functies tegelijk en moet daarom continu bijgesteld worden. Tijdens het groeiproces produceert het kuiken enerzijds koolstofdioxide (CO2)en water via ademhaling en anderzijds mest en warmte door stofwisseling en groei. Ventilatie in pluimveestallen heeft daarom het aanvoeren van zuurstof en het afvoeren van CO2, water en warmte-energie als doel.
Zowel minimum- als maximumventilatie zijn hierbij belangrijk. Minimumventilatie is nodig om vocht en gassen af te voeren, terwijl maximumventilatie voorkomt dat er tocht ontstaat op dierniveau. Ongewenste luchtstromen kunnen namelijk net zo nadelig zijn als een tekort aan ventilatie.
Stel de ventilatiecurve in
Om een goede balans te verkrijgen tussen aan- en afvoer van lucht stel je een ventilatiecurve in op 1 m3 per kilogram gewicht bij een buitentemperatuur van 20 °C. Deze norm is van dag nul tot en met dag zeven 1,5 m3 per kilogram, 1,2 m3/kg van dag acht tot en met dag 14 en tot slot 1,0 m3/kg van dag 15 tot en met dag 42. Bij een lagere buitentemperatuur komt hier een correctie overheen. Deze normen gelden voor reguliere kuikens. Check bij het wisselen van concepten wel steeds de minimum ingestelde curves.
Norm voor ventilatiecurve bij een buitentemperatuur van 20 °C
| Dag | Norm bij 20 °C (m3/kg) |
|---|---|
| 1-7 | 1,5 |
| 8-14 | 1,2 |
| 15-42 | 1,0 |
Verfijn de minimum ventilatie
Om het juiste minimum te verfijnen, corrigeer je de minimum ventilatie naar de gewenste relatieve luchtvochtigheid (RV). Deze is naast CO2 de eerste beperkende factor en het meest aanwezig in huidige pluimveestallen. Als vuistregel geldt: Streefwaarde staltemperatuur + RV = 85. Per 5% verhoging van de RV verhoog je de minimum ventilatie met 1%. Met het toepassen van deze vuistregel creëer je het optimale microklimaat op dierniveau. De instellingen zijn per fabrikant verschillend; kies de regeling die met kleine stapjes tot de norm bijstelt.
Maximum ventilatie
Waar de minimum ventilatie van belang is voor voldoende afvoer van gassen en vocht, voorkomt de maximum ventilatie ongewenste luchtstromingen oftewel tocht op de dieren. De maximale luchtsnelheid op dierniveau mag 0,2 m/sec zijn. Stel daarom je curve de gehele ronde af op maximaal 3,6 m3 per kilogram dier in de stal. Bij uitzonderlijke weersomstandigheden is het wellicht nodig de maximum ventilatie aan te passen; doe dit in overleg met je adviseur.
Reguleer de luchtsnelheid
- De binnenkomende luchtsnelheid regel je bij voorkeur op onderdruk. Standaard is het systeem afgeregeld op 4 meter per seconde. Bij een buitentemperatuur van 0 °C kun je uitgaan van 1 Pascal (Pa) onderdruk per meter stalbreedte. Per 1 graad Celsius hogere buitentemperatuur wordt de onderdruk met 0,5 Pa gecorrigeerd, tot maximaal 5 Pa bij een buitentemperatuur boven de 20 °C.
- Bij een minimum ventilatieniveau moet de minimale klepstand bij ventielen minimaal twee vingers (4 cm) zijn. Dit kun je realiseren door te starten met het openen van 1 op de 5 ventielen, afhankelijk van onder andere stalafmeting en bezetting.
- Controleer met rookpatronen het luchtpatroon om te zien of de ingestelde klepstand juist is. Dit is telkens afhankelijk van de hoogte van de inlaat, het soort en de afmeting van het ventiel, het type ventilatie (nok-, lengte-, of combiventilatie) en de breedte van de stal. Onze adviseurs kunnen het luchtpatroon voor je controleren.
Meer weten? Adviseur Wouter Kalverboer schreef onlangs een artikel over luchtsnelheid.
Temperatuur bij een nieuw koppel
- Zorg voor aanvang van een koppel dat de stal voldoende is opgewarmd, met een vloertemperatuur van 28-30 °C en een ruimtetemperatuur van 34-36 °C.
- De juiste temperatuur passend bij de leeftijd van het vleeskuiken is vaak het best te zien aan de ligging van de dieren: mooi ovaal in de stal los van elkaar.
- Bij aankomst is een vleeskuiken koudbloedig, wat betekent dat het zijn lichaamstemperatuur niet zelf kan regelen. Het is daarom belangrijk jouw dieren steekproefsgewijs te temperaturen bij aankomst. Meet de temperatuur van twintig dieren verspreid over de stal en herhaal dit twee tot drie keer per dag tot dag 4. Een goede lichaamstemperatuur bedraagt 40,5 a 41,0 °C.