Laagste perceel-gedeelten
Het meest effectief is dit door op de laagste perceel-gedeelten, parallel aan de sloot een greppel te graven. Dit kan bijvoorbeeld met een sleuvenfrees. Om instorting te voorkomen kan de greppel gevuld worden met adsorberend materiaal, zoals bijvoorbeeld compost/zand of houtsnippers. Laat deze greppel bovenin, met een stuk regenpijp, overlopen in de sloot. Graaf bij wateroverlast, of al preventief, richting deze greppel een afwateringsroute. De gronddeeltjes zullen in de greppel bezinken en op het perceel behouden blijven. De GBM-resten zullen hierdoor niet in het oppervlaktewater belanden.
Een andere optie is een greppel direct voor bijvoorbeeld de aardappelruggen. Of een combinatie van beiden, de zogenaamde cascadegreppels. Deze kunnen ondergronds onderling verbonden zijn met een stuk regenpijp.
Een infiltratiegreppel in een vaste bufferstrook welke gevuld is met absorberend materiaal kan jaren dienst doen. De begroeiing van de bufferstrook maakt de greppel wellicht minder zichtbaar maar beperkt bij hevige regenbuien nog steeds de afspoeling. Daarnaast is een permanent begroeide bufferstrook positief voor de biodiversiteit.
Perceelemissie beperken
Het is één van de maatregelen die toegepast kan worden om perceelemissie te beperken. Hiermee kan het eerste water dat afspoelt van het perceel beperkt worden. Dat water bevat relatief het meeste residu van gewasbeschermingsmiddelen.
Afhankelijk van het perceeloppervlak dat op een greppel afwatert, kunnen buien tussen de 10 - 20 mm per keer, per etmaal worden opgevangen en infiltreren. Dat betekent dat dit een effectieve maatregel kan zijn op perceelemissie te beperken.
Buien van 50 mm water in zeer korte tijd kunnen waarschijnlijk met geen enkel systeem worden gebufferd, maar ook dan is het van belang dat de eerste hoos aan water via de greppel is afgevloeid.